Reactie FemNet op pooierverbod zoals ingediend voor internetconsultatie

In dit document zet FemNet, de landelijke werkgroep voor emancipatie en gender binnen GroenLinks, haar standpunt uiteen met betrekking tot het Wetsvoorstel herwaardering strafbaarstelling actuele delictsvormen, zoals gepubliceerd voor internetconsultatie op 16 mei 2018. FemNet functioneert hierbij als onafhankelijk netwerk van GroenLinks.

Deze reactie gaat specifiek over het voorstel tot invoegen van onderstaand artikel, waarmee een nieuwe strafbaarstelling wordt geïntroduceerd.

Artikel 206a

Hij die een ander uit winstbejag behulpzaam is bij het zich beschikbaar stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met een derde tegen betaling terwijl hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat die beschikbaarstelling wederrechtelijk is wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren of geldboete tot de vijfde categorie.

FemNet vindt het bestrijden van mensenhandel en misstanden in de prostitutie belangrijk. Echter, bovenstaand wetsvoorstel acht FemNet niet constructief en effectief. Het advies van FemNet is dan ook om Artikel 206a niet in het Wetboek van Strafrecht in te voegen. Dit standpunt zullen wij in dit document met 4 punten onderbouwen.

1. De noodzaak is niet (voldoende) aangetoond

FemNet is van mening dat de Minister niet voldoende heeft aangetoond dat Artikel 273f Sr niet voldoet en er derhalve noodzaak is tot aanvullende strafbaarstelling. In de Memorie van Toelichting bij het voorstel tot wijziging wordt gesteld dat Artikel 273f Sr niet zou volstaan in verband met bewijsproblemen. Deze stelling is gebaseerd op een onderzoek uit 2014 bestaande uit interviews met 17 juristen over een concreet voorstel van raadsheer Peter Lemaire ter aanvulling op Artikel 273f Sr. Van de 17 juristen zeggen er 7 dat Artikel 273Sr in meer of mindere mate niet volstaat. Het gaat hierbij dus om de ervaringen van slechts zeven personen, niet verder onderbouwd met statistisch onderzoek.

Voor de stelling in de Memorie van Toelichting dat er "in te veel gevallen niet tot vervolging/veroordeling wegens seksuele uitbuiting kan worden gekomen" is dan ook geen enkele wetenschappelijke onderbouwing. Bovendien wijst FemNet er op dat zelfs in dit onderzoek reeds door enkele juristen problemen worden benoemd met betrekking tot het voorstel van Lemaire, dat in verhouding trouwens nog genuanceerder en verder gespecificeerd is dan het huidige voorstel voor Artikel 206a. Zo stelt een advocaat: "Mijn probleem met het voorstel is dat het in beginsel ook mensen strafrechtelijk aansprakelijk stelt die dat niet verdienen."

Als laatste is het ook nog belangrijk om op te merken dat zelfs als de Minister van mening is dat er noodzaak is tot aanvullende strafbaarstelling, er onduidelijk is hoe het nieuwe wetsvoorstel de effectiviteit van de aanpak van misstanden zou kunnen bevorderen.

2. De mensen om wie het gaat zijn niet geconsulteerd

In de Memorie van Toelichting wordt de discutabele stelling geponeerd dat "de afgelopen jaren is gebleken dat de prostitutiebranche kwetsbaar is voor misstanden, zoals dwang, onveilige seks en onhygiënische werkruimten." De Memorie stelt dat dit beeld wordt bevestigd in de nulmeting Wrp. 

FemNet is van mening dat het attribuut "kwetsbaar zijn voor" zeer onduidelijk en algemeen is, en bovendien is gebaseerd op zeer speculatieve onderzoeken. In de rapporten die onderdeel uitmaken van de nulmeting Wrp wordt onder andere gesteld dat er "geen concrete actuele gevallen van seksuele uitbuiting [zijn] vastgesteld", maar dat er wel "signalen" zijn die op uitbuiting zouden kunnen wijzen. Ook de schattingen van de Nationaal Rapporteur mensenhandel en seksueel geweld tegen kinderen gaan slechts over "personen ten aanzien van wie slechts sprake is van het geringste signaal van mensenhandel".

Bij het opstellen van het wetsvoorstel is aan een aantal organisaties formeel advies gevraagd. Indien de Minister daadwerkelijk een groep mensen wil ondersteunen die hij kwetsbaar acht, dan zou het niet meer dan logisch zijn geweest om in ieder geval ook PROUD (belangenvereniging voor en door sekswerkers) te consulteren, alsmede slachtoffers van seksuele uitbuiting binnen de sekswerkbranche. 

Het is tekenend dat de uiteindelijke argumentatielijn voor het wetsvoorstel niet meer ingaat op een oplossing zoeken voor de eerder genoemde "onhygiënische werkruimten", terwijl juist uit het enige rapport waarin in ieder geval sekswerkers zelf aan het woord worden gelaten blijkt dat dit de belangrijkste behoefte is.

3. Het wetsvoorstel is onduidelijk in zijn definitie van "wederrechtelijk"

In de tekst van het wetsvoorstel wordt de kwalificatie "wederrechtelijk" genoemd. In de Memorie van Toelichting zinkt dit kenmerk echter in een complex moeras. Zo worden de begrippen onvergund en illegaal door elkaar heen gebruikt. Het Memorie stelt eerst dat het gaat om "Strafbaarstelling van het uit winstbejag behulpzaam zijn bij illegale prostitutie" en vervolgens "Prostituees die in de niet vergunde branche werkzaam zijn worden vaak op enige wijze gefaciliteerd bij de uitoefening van hun activiteiten door personen die hier financieel voordeel uit halen."

Dit druist in tegen de huidige bestaande lezing dat zelfstandige sekswerkers niet verplicht zijn in het bezit te zijn van een vergunning, tenzij in de specifieke gemeente anders vastgesteld. De Minister neemt hiermee een voorschot op de in het regeerakkoord voorgestelde vergunningsplicht voor alle vormen van bedrijfsmatige seksuele dienstverlening.

Door het onduidelijk door elkaar gebruiken van "illegaal" en "niet vergund" wekt het voorstel de indruk dat de wijziging niet alleen betrekking heeft op onvergunde bedrijven die gericht zijn op seksuele dienstverlening maar ook op legale onvergunde zelfstandig werkzame sekswerkers. FemNet is van mening dat de discussie rondom vergunningsplicht een op zichzelf staande discussie is, en het onjuist zou zijn om deze middels dit wetsvoorstel te omzeilen. Het invoeren van een vergunningsplicht brengt bovendien verplichtingen met zich mee, zoals het zorg dragen voor een landelijke uniforme, heldere en toegankelijke vergunningssystematiek, waarover echter door de Minister met geen woord wordt gerept.

In een tijd met grote vergunningsproblematiek, waarbij het voor zelfstandige sekswerkers in gemeentes met een vergunningsplicht praktisch onmogelijk is om een vergunning te verkrijgen, is dit onbegrijpelijk. De sekswerkers komen hierdoor vast te zitten in een catch-22: een paradoxale situatie waarin ze een vergunning nodig hebben maar geen vergunning kunnen krijgen.

4. Het wetsvoorstel zal een averechtse werking hebben

FemNet is van mening dat het wetsvoorstel een veel te wijd net werpt. In het Memorie worden de volgende spelers onderscheiden als zijnde personen die sekswerkers "uit winstbejag behulpzaam" zijn: "eigenaren van panden, kamerverhuurders (exploitanten), horeca-exploitanten, personen die optreden als beschermer / geldbewaarder, bodyguards, snorders, loopjongens en boekhouders." Verderop worden bovendien nog genoemd "het faciliteren van websites of andere media voor niet vergunde prostitutie".

In een Memorie die begint met de stelling dat het de taak van de overheid is "om te zorgen voor een vrije, veilige en rechtvaardige samenleving", bevreemdt het FemNet dat juist de diensten die het leven van sekswerkers veiliger kunnen maken (zowel fysiek als financieel), strafbaar worden gesteld. Het  voorstel gaat hiermee direct in tegen het advies van Amnesty, dat stelt dat dergelijke criminaliserende maatregelen sekswerkers het recht op veiligheid ontnemen.

Ook het (nu nog) legale online aanbieden van diensten door zelfstandige sekswerkers lijkt hiermee illegaal te worden gemaakt, zonder verdere toelichting of onderbouwing.

Conclusie

Het huidige wetsvoorstel Artikel 206a is gebaseerd op een aanname voortkomend uit onjuist en onvolledig onderzoek, komt niet tegemoet aan de behoeftes van de mensen die zij stelt te beschermen en omzeilt fundamentele discussies over de vergunplicht. FemNet is daarom van mening dat Artikel 206a niet in het Wetboek van Strafrecht moet worden ingevoerd.